Blog Image

Doodgewoon?

Over sterven en rouw


Is de dood gewoon? Rationeel gesproken wel ja. Niemand van ons ontkomt eraan: vroeg of laat kondigt die laatste dag zich aan. Dat staat vast en dat weet iedereen.

Maar juist omdat het je slechts een keer in je leven overkomt, is de dood veel meer dan gewoon. Moeilijk, verdrietig, misschien wel een lijdensweg of een verrijkend proces. Voor ieder anders, voor ieder mens uniek, en voor elke nabestaande een periode die gepaard gaat met intense gevoelens en indrukwekkende ervaringen.

Uit het oog, maar niet uit het hart

Rouw Posted on Sun, April 28, 2019 18:31:20

Het is weer die tijd van het jaar dat de bermen plotseling exploderen in groen en fluitekruid, paardenbloemen, bloeiende brandnetels en raapzaad. Ik hou van die tijd, zóveel levenskracht gaat erin schuil. De nieuwe lente, het nieuwe leven.

Het is nu vijf maanden geleden dat mijn moeder overleed. Vijf maanden ben ik wees en ik weet nog steeds niet goed hoe ik me daartoe moet verhouden. Soms gaat het vanzelf, soms lukt alles opeens niet meer zo goed. Dan word ik boos op mensen om me heen en op dingen, zoals een niet-meewerkende computer ofzo. Het zijn voor mij tekens dat ik even een pas op de plaats moet maken.

Hoe lang kun je zeggen: ‘Ik ben in de rouw’? De rouw is zo onvoorspelbaar, zo grillig. Het begint letterlijk rauw. Mijn moeder had een mooie leeftijd bereikt, maar we hadden geen enkele aanwijzing dat het eind er al was toen het kwam. Het kwam ons echt rauw op ons dak. Toch waren er zelfs in die begintijd lichtere momenten. Momenten dat het eventjes niet zo onoverkomelijk, zwaar en verdrietig voelde.

Wat later pakte ik langzaam maar zeker weer de dagelijkse bezigheden op. Het voelde wat beter te doen, soms had ik zelfs een licht schuldgevoel over plezier in mijn leven. En opeens is er dan weer zo’n opeenvolging van loodzware momenten, van niet begrijpen en niet willen accepteren. Donkere dagen, ook al doet de zon zo hard zijn best om me wat vrolijker te maken.

Hoe lang gaat dat duren? Hoe lang mag dat duren? Hoe lang blijf ik me nog afvragen of ik misschien ergens een teken ga krijgen van mijn moeder? De onverklaarbare dingen die in mijn huis gebeurden afgelopen maanden, voelen totaal niet overtuigend en al helemaal niet bevredigend. Want ik kan er niks uit opmaken dat de lichtjes van een wekkertje opeens beginnen te knipperen. Voor mij is het niet duidelijk. Ik wil duidelijke tekens, ik wil eigenlijk gewoon een gesprek met haar. Ik wil, ik wil, ik wil…

Tot op welk moment kun je nog tegen de mensen om je heen zeggen dat je in de rouw bent? Tegen die mensen die allang weer verder zijn gegaan met hun leven. Terwijl je eigen leven definitief op een ander spoor is gaan lopen. Geen enkel antwoord hebben op al die vragen, is deel van de rauwheid van de rouw.



Het verhaal van mijn moeder (deel 1)

Sterven Posted on Thu, April 18, 2019 22:35:14

Twee weken eerder waren we nog op familieweekend geweest. Vier dagen eerder had ik haar nog aan de telefoon gehad om haar te feliciteren met de 65e verjaardag van haar wettelijk huwelijk met mijn vader.

Ik was die week goed opgeschoten met mijn werk en kon mijn weekend wat eerder beginnen. De volgende dag had ik nog een afspraak staan en daarna zou ik naar Eindhoven gaan om een weekend bij haar door te brengen. Dat was het plan. Totdat ik die donderdagavond een telefoontje van mijn zus kreeg: ‘Mama moet met spoed geopereerd worden’, was de mededeling. Ik schrok, ik wist niet eens dat ze voor een onderzoek naar het ziekenhuis was die dag. Achteraf gezien wist bijna niemand dat. Want het leek allemaal niet zo veel om het lijf te hebben. Mijn moeder had last van buikpijn en de huisarts wilde het toch even laten controleren in het ziekenhuis. Mijn zus, die in dat ziekenhuis werkte, had de afspraak geregeld en was de enige die wist waar zij die donderdag verbleef. Had ik mijn moeder de dag ervoor nog aan de telefoon gehad, dan had ze me ongetwijfeld verteld dat dat op de agenda stond. Maar het leek niet belangrijk genoeg om meteen aan iedereen te laten weten.

Mijn zus hield een kort moment de telefoon aan mijn moeders oor, die in het hele circus rondom een aanstaande operatie was beland. Ze hoorde aan mijn stem dat ik het er moeilijk mee had. ‘Niet huilen’, zei ze nog. Ik murmelde stoer terug: ‘Ik huil niet’, maar de telefoon was al niet meer aan mijn moeders oor. Ik herinner me dat ik haar gezegd heb dat ik heel veel kaarsjes voor haar zou opsteken. Dat heb ik gedaan, elf stuks.

Mijn moeder bleek een obstructie te hebben in haar dikke darm. De reden om met spoed te opereren, was dat die darm boven de obstructie nogal uitgezet was. Om het risico op perforatie te voorkomen, hadden de artsen besloten direct te gaan opereren.

Ik dacht verschillende dingen: kanker, heeft ze dan toch uiteindelijk kanker gekregen. We gaan nu een heel ander tijdperk in met elkaar. En ook dacht ik: Een operatie onder volledige narcose is nooit leuk, maar als je 86 bent, dan is dat echt ook wel een reden tot zorg. Dus met al mijn kaarsjes aan wachtte ik vol spanning het telefoontje af dat de operatie geslaagd was. In de tussentijd had ik nog een zus en een broer aan de telefoon. Allemaal vonden we dit natuurlijk niet leuk en heel spannend. Ook die afspraak van de volgende dag belde ik af.

Direct naar Eindhoven gaan, had geen zin, was ons verteld. Ze zou na de operatie gedurende de nacht aan de beademing blijven en op de intensive care liggen. Met zijn zus sprak ik af dat we de volgende ochtend naar Eindhoven zouden gaan.

Groot was de opluchting toen dat telefoontje kwam: de operatie was achter de rug en mijn moeder lag zoals afgesproken op de intensive care aan de beademing. Relatief opgelucht, ging ik, met de telefoon aan mij zij naar bed. De volgende ochtend vroeg hadden we alweer contact met elkaar. De zus die werkt in het ziekenhuis waar mijn moeder lag, ging die ochtend vroeg naar haar werk. In werkkleding ging ze even een kijkje nemen bij mijn moeder. Ze was bij bewustzijn, maar had een zware nacht achter de rug. Ze bleek niet stabiel te zijn. Al snel kregen we het bericht dat we maar beter konden komen. Dat hoefde misschien niet acuut, maar toch liefst wel een beetje snel.

De schrik nam weer toe. Er kwam een enorm appverkeer op gang tussen alle broers en zussen (we zijn met zijn zessen) en ieder van ons had ook contact met de eigen kinderen. Binnen no-time pikte mijn oudste zus me op en reden we naar het zuiden. We deden ons best om onze focus op de weg te houden, in plaats bij alle gedachten aan onze moeder. Mijn zoon, net op weg naar college, besloot ook om in plaats daarvan naar het station te gaan en te komen.

Eenmaal in het ziekenhuis waren mijn drie broers er inmiddels ook. Mijn moeder werd net verzorgd, dus dronken we eerst een kopje koffie op de familiekamer, die de komende twee dagen ons privédomein zou zijn in het ziekenhuis. Even later konden we bij haar. Omdat ze het zo zwaar had, hadden ze haar inmiddels wat dieper laten slapen. Ze was in sepsis. Ze lag aan allerlei toeters en bellen en ademde niet zelfstandig. Wat naar om je lieve moeder zo te zien. De belangrijkste kenmerken van de sepsis waren een veel te hoge hartslag en een veel te lage bloeddruk. Om het bloed toch voldoende rondgepompt te krijgen, voerden ze haar continu een grote hoeveelheid vloeistof toe. Als iets van al die medicijnen en andere zaken op was, begon het apparaat te piepen. In eerste instantie schrok ik ervan en dacht dan: er moet nú iets gebeuren, anders gaat ze dood. Dat bleek wel mee te vallen, het was slechts een signaal dat er iets aangevuld moest worden en het IC-personeel werkte zich een slag in de rondte om mijn moeder zo goed en zo kwaad als het kon stabieler te krijgen.

Gedurende de dag druppelden langzaam maar zeker ook de meeste van mijn moeders kleinkinderen binnen. Daar zaten we dan in die familiekamer, opeens veel te dicht bij elkaar gedurende een veel te lange tijd. Steeds waren er twee of drie van ons bij mijn moeder. De rest dronk dan maar weer een kop koffie in de familiekamer. Het was een gekke dag. We leefden in een soort roes. Geen fijne roes, maar wel zo’n staat van zijn dat dingen eigenlijk nauwelijks meer tot je doordringen.

De avond brak aan en de eersten van ons gingen alweer terug naar huis. Op de familiekamer mocht een van ons blijven slapen. Voor die nacht was ik degene. Eigenlijk wilde ik niet slapen; ik wilde alleen maar bij mijn moeder blijven. De ontzettend vriendelijke en meedenkende nachtverpleger stelde me zelfs voor om het bed uit de familiekamer naar mijn moeders kamer te brengen, zodat ik daar bij haar kon slapen. Ik wilde dat eigenlijk heel graag. Toch besloot ik uiteindelijk toch maar naar die aparte kamer te gaan. De verpleger had mij uitvoerig uitgelegd hoe hij allerlei infusen wilde gaan verleggen, zodat er meer overzicht kwam en hij nog nieuwe dingen kon uitproberen. Ik hoefde daar eigenlijk niet zo nodig bij aanwezig te zijn. Bovendien piepte het om de haverklap, piepjes waar ik nog steeds een beetje van schrok; ik wist dat ik geen oog dicht zou doen. Ook al omdat er nog een paar andere patiënten zeer kritiek op de afdeling lagen. En hun piepjes hoorde je ook op de monitor van mijn moeder.

Met de nachtverpleger sprak ik af dat als er ook maar iets was rond haar conditie wat hem aan het twijfelen maakte, hij me direct zou komen waarschuwen. Zo sliep ik toch een klein beetje, hoewel erg onrustig. Om een uur of vier ging ik naar het toilet en daarna ging ik eventjes bij mijn moeder langs. De nachtverpleger zag me en kwam me bijpraten. Wat hij wilde doen, was allemaal geslaagd en hij was er relatief positief over. Hoewel haar toestand nog steeds kritiek was, waren de hele grote wisselingen er in elk geval uit. Het leek ietsje rustiger geworden te zijn. Ik sprak mijn moeder goede moed toe en ging iets geruster weer terug naar mijn bed.

Wordt vervolgd…



Het verhaal van mijn moeder (vervolg)

Sterven Posted on Thu, April 18, 2019 22:33:08


Om half zeven kleedde ik me aan en ging naar haar toe. De nachtverpleger kwam er alweer snel bij en was minder optimistisch dan de laatste keer dat ik hem sprak. Hij zei dat het na ons gesprek toch weer opnieuw achteruit was gegaan. Hij zag tegenstrijdige dingen, sommige dingen gaven hem hoop, andere dingen stemden hem zeer bezorgd. Straks komt de arts, zei hij, en die heeft het overall plaatje, dus die zal jullie dan vertellen hoe het ervoor staat. Het klonk niet goed als ik heel eerlijk was. Bovendien lag mijn moeder er inmiddels al ruim een dag zo bij, zonder vooruitgang. Dat stemde ook niet optimistisch. Langzaam begon het idee zich te nestelen dat dit niet goed af zou gaan lopen. Althans niet goed voor ons, haar kinderen en kleinkinderen. Voor haarzelf was het maar de vraag wat gezien deze omstandigheden goed was.

Want ze had nu wel opeens een tijdelijk stoma. En ze had waarschijnlijk kanker (we kwamen er overigens een tijd later achter dat de obstructie geen kanker was; toch nog een opluchting, ook al veranderde dat het resultaat niet). Het was zeer onzeker hoe haar leven er de komende periode uit zou gaan zien. Maar ja, ik had nog steeds mijn gezonde moeder in gedachten, die ik dit weekend gezellig zou gaan bezoeken.

Zoveel gedachten, zoveel emoties, zoveel koffie. Zo onwezenlijk allemaal.

Dat gesprek met de arts liet even op zich wachten. Alle broers en zussen waren alweer enige tijd in het ziekenhuis, toen we binnen werden geroepen voor dat gesprek, om 13 uur ’s middags. Dat was niet het soort gesprek wat je ooit wilt hebben. Eigenlijk wisten we al wat ze zouden zeggen toen we naar binnen liepen en gingen zitten. En inderdaad, dat gingen ze zeggen. De functies van mijn moeders waren stuk voor stuk aan het afnemen. In feite waren ze alleen nog aan het rekken. Er was geen mogelijkheid meer tot herstel. We moesten afscheid van mijn moeder gaan nemen. Ergens in die middag zou de apparatuur uitgezet moeten worden en dan zou ze binnen een uur komen te overlijden.

Ik wist dat we dit gingen horen en toch borrelde er een enorme snik in me op bij het woord overlijden. Dit was het verkeerde woord. Dit woord mocht gewoon niet gezegd worden. We waren allemaal verslagen en intens verdrietig. Donderdag verliet ze nog relatief onbezorgd haar huis voor een kort onderzoek en nu was het opeens allemaal afgelopen. Hoe had dit zo kunnen lopen? Deze en honderden andere vragen buitelden door mijn hoofd. Ik wilde haar zo ontzettend graag nog even in de ogen kijken en met haar praten. Maar haar ogen waren al twee dagen dicht en hoewel ik veel gepraat heb tegen haar, kreeg ik niet haar stem nog een keer te horen.

Op en een of andere manier kun je jezelf dan toch goed genoeg bij elkaar houden om te doen wat nog gedaan moet worden. Ze kon nog bediend worden door een priester die ze erg waardeerde. Daarna zijn we een voor een even alleen bij mijn moeder geweest om afscheid van haar te nemen. Toen kwam het moment dat we tegen de verpleging zeiden dat ze de behandeling stop mochten zetten. Wij, haar zes kinderen stonden bij haar bed in een kring om haar heen. We zouden niet meer van haar zijde wijken totdat ze haar laatste adem had uitgeblazen.

Ondanks dat we die middag een paar keer te horen hadden gekregen dat mijn moeder snel achteruit ging, hield ze het nog iets langer dan een uur uit. We stonden aan haar zijde terwijl haar ademhaling steeds verder afzwakte. Haar hart bleef echter gestaag doorkloppen. Petje af voor het hart van mijn moeder, echt waar! Dat laatste uur met haar had alles in zich: enorm verdriet en verslagenheid, maar ook zoveel verbinding met elkaar en met mijn moeder, verzet en overgave. Het was ook mooi, ondanks de wrange situatie waarin we ons bevonden. De sfeer in de kamer was zo enorm sereen.

Ja, en dan moet je opeens overgaan tot de orde van de dag. Je moeder is dood en er moeten dingen geregeld worden. Wij werden even weggestuurd, zodat ze al die apparatuur konden loskoppelen van mijn moeder. Daarna mochten we even terug bij haar in de kamer. De dienstdoende arts die pas net was binnengekomen voor zijn shift en feitelijk niks meer met mijn moeder te maken had, maakte tijd om met ons een gesprek aan te gaan over de afgelopen twee dagen. Dat was fijn, het was enorm attent van hem en hij nam ruim te tijd om ons verhaal aan te horen en vragen te beantwoorden.

Daarna was het tijd om ons verblijf van die twee dagen, de familiekamer, achter ons te laten en naar huis te gaan. We gingen naar het huis van mijn moeder, omdat we haar daar wilden opbaren. Maar ja, mijn moeder was nogal een verzamelaar, dus dat huis stond overvol met spulletjes. Ook haar slaapkamer. Als gekken zijn we tekeer gegaan die avond; de hele slaapkamer hebben we leeg gekregen, zodat we haar daar de volgende dag konden ontvangen. Het was een enorme boost aan adrenaline die collectief loskwam in ons. Het leek oneerbiedig, maar we hadden allemaal één heel duidelijk doel: haar op een waardige terug verwelkomen in haar huis.

De volgende dag kregen we te horen dat opbaren thuis niet mogelijk was vanwege haar conditie. Dat was heel jammer, maar we konden allemaal snel schakelen. Er was genoeg te doen de komende dagen. We wilden haar een prachtig, warm en respectvol afscheid bezorgen. Die hele week zijn we daar druk mee geweest. En een mooi afscheid werd het. Mijn moeder had eerder dat jaar besloten dat ze op een natuurbegraafplaats begraven wilde worden. Ze was daar naar een begrafenis geweest en was helemaal verliefd op die plek. Mijn broer en zus die dicht bij haar woonden, hebben haar geholpen daar de nodige stappen in de nemen. Haar plekje was al snel uitgekozen, toen ze er een reeënkalf zag lopen. Ze was er zo verguld over. Het leek haar fantastisch om haar laatste rustplaats daar in die mooie natuur te hebben. Ook over mijn vader, die op een andere begraafplaats lag, werd een knoop doorgehakt. Hij zou herbegraven worden op de natuurplaats, zodat ze, zoals mijn moeder zo blij kon zeggen ‘straks heerlijk samen in de natuur zouden liggen’.

Een week na haar overlijden was de dag dat we haar daarnaartoe brachten. Ondanks dat er slecht weer werd voorspeld, scheen er die ochtend een prachtig zonnetje. We hebben mijn moeder inderdaad een onvergetelijk afscheid kunnen bezorgen. Dat geeft toch een beetje troost, ook al snap je eigenlijk nog nauwelijks wat er gebeurd is.

Mijn moeder hield van de natuur en ook van vogels, in het bijzonder van uilen. Gedurende de laatste 25 jaar van haar leven had ze een indrukwekkende uilenverzameling opgedaan, die allemaal prijkten in een prachtige oude vitrinekast. Een kast die al snel de uilenkast ging heten. Uiteindelijk pasten de uiltjes die ze van iedereen kreeg en soms ook zelf kocht niet meer in haar kast en verspreidden de uilen zich ook over de rest van haar huis. Wat ga je doen met zo’n 300 uiltjes? Ieder kind 50 uilen ging het niet worden en weggooien wilden we al helemaal niet. Mijn zus kwam met de geniale oplossing: we nemen ze mee en stellen ze op een paar tafels op. Dan mag iedereen na de begrafenis een uiltje meenemen ter nagedachtenis aan mijn moeder. Er kwamen geen 300 mensen, maar de 150 hebben we zeker wel gehaald. Mijn moeder was een buitengewoon geliefde vrouw. Ze zou het zelf fantastisch gevonden hebben om haar dierbaren zelf een uiltje uit de verzameling uit te laten zoeken. Het was een waardig einde aan een waardige dag en een veel meer dan waardig leven.



Bang voor de dood?

Sterven Posted on Thu, April 11, 2019 22:50:20

Als je mij vraagt of ik bang ben voor de dood, dan zou ik denk ik zeggen van niet. Niet dat ik dood wil, maar ik ga er ook vanuit dat ik voorlopig nog niet doodga. Tenzij ik pech heb natuurlijk.

Toch ben ik op een heel ander niveau wel degelijk bang voor de dood. Hoe dat kwam ontdekte ik tijdens de opleiding Omgaan met Sterven van het Landelijk Expertisecentrum Sterven. Ik dacht onder andere na over mijn eerste ervaring met sterven, omdat die me belangrijke informatie kon geven over hoe ik daarna in het leven met sterven zou omgaan. Hmmmm, dacht ik interessant gegeven.

Mijn eerste ervaring met de dood was een vriendinnetje van 12 jaar dat op weg naar school onder een bus kwam. Ik was 13. De kerkdienst voelde voor mij kil, afstandelijk en heel onwerkelijk. Ik was zó boos op die God die dit had laten gebeuren. In de kerk kon ik de hele sfeer eromheen voor geen meter begrijpen. Het ging erover dat God in zijn wijsheid had besloten haar tot zich te nemen en dat het goed was. Hoezo goed? Er was hélemaal niks goeds aan!!! Het was verschrikkelijk, afschuwelijk, onverkwikkelijk. Bij mij vanbinnen was het oorlog.

Het zette me aan om verder te denken over mijn overledenen. Had ik steeds weer die oorlog vanbinnen gevoeld? Ik keek naar de elf voor mij meest dierbare personen van wie ik daarna afscheid heb moeten nemen. Eentje ook door een ongeluk, drie kozen ervoor een einde aan hun leven te maken, mijn vader raakte plotseling in een coma en werd al snel hersendood verklaard, mijn neefje werd na 42 weken zwangerschap dood geboren, de juf van mijn zoon in groep 1 kreeg een epileptische aanval na een hersenbloeding, drie veel te jonge dierbaren, een vriendin, mijn schoonzus en een vriend, stierven behoorlijk plotseling aan kanker en (voorlopig) last but not least mijn moeder, die na een onverwachte spoedoperatie in sepsis raakte en dat niet overleefde.

Er viel me iets op in mijn ervaringen met sterven: met geen van allen (op een kort moment met mijn schoonzus na) heb ik kunnen spreken voordat ze overleden. Ze waren opeens weg of buiten bewustzijn. En ja, steeds weer woedde die oorlog vanbinnen. Vreemd genoeg heb ik tot op heden geen ervaringen met sterven die anders zijn gegaan.

Het feit dat ik niet met mijn overledenen heb kunnen praten en dat het me stuk voor stuk allemaal ‘overkwam’, maakt voor mij de dood uiteindelijk toch vrij beangstigend. Mensen vallen zomaar weg om je heen. Het is een angst waarvan ik me nu realiseer dat ik die veel op mijn zoon heb geprojecteerd. Daar kon ik, toen hij nog bij me woonde, me erge zorgen over maken als dingen anders liepen dan ik verwacht had. Ik dacht dan meestal ook echt in rampscenario’s die onvermijdelijk de dood in zich droegen en kon dat uiterst moeilijk relativeren.

Op zich vind ik de dood, het feit dat we doodgaan, niet zo beangstigend. Het lijkt me op een bepaalde manier zelfs bevrijdend voor degene die sterft. Die hoeft in ieder geval niet meer te lijden (aan groot leed als pijn of eenzaamheid, maar ook aan klein leed als volkomen natregenen op de fiets of een laptop die diensten weigert). Maar dat plotselinge, dat machteloze gevoel, dát geeft me angst. Daar schiet ik van in de weerstand. Misschien heb ik uiteindelijk wel meer angst voor die oorlog vanbinnen dan voor de dood.